Er zijn twee vormen van ik: werkende ik en zetelzittende ik.
In mijn professionele omgeving moet ik en diplomatisch en slim en ijverig en geordend en teamplayer en zelfstandig zijn. Ik moet multitaskend met duuzd dingen tegelijkertijd bezig zijn.
Ik moet en controleren en telefoneren en communicatief sterk zijn en analyseren en en en… teveel om op te noemen. En dat allemaal tussen half 9 en 5, en vaak ook veel later. Ik moet alles kunnen. Het een mag niet minder goed zijn dan het ander. En dat lukt. Buiten dat diplomatisch zijn, daar heb ik nog wat over te leren.
Maar dat wordt volledig gecompenseerd als ik dan eindelijk thuis ben en mijn zetel zie. Dan kan ik niet multitasken, dan doe ik geen duuzd dingen tegelijkertijd. Mijn huishouden is het minst van mijn zorgen en mijn persoonlijke administratie is ronduit een ramp.
Wat ik teveel doe op mijn werk, doe ik te weinig in mijn privesituatie.
De zetelzittende ik is lui, ongeordend en heeft weinig oog voor detail.
Van de moment dat ik een voet thuis binnen zet na een slopende werkdag, wordt er een knop in mijn hoofd op ‘foert’ gezet.
Ik mag dan misschien wel een topwijf zijn op het werk, in mijn prive leven ben ik alles behalve dat.
Een echt topwijf is altijd een topwijf.
Ik ben geen topwijf.

